Ga naar de inhoud

Chielie's gedichten Berichten

Gordiaan

Ik kijk langs hout omhoog
Oud, besplinterd, veelbekerfd
Ooit in fris witblauw geverfd
Nu verdwenen, op het oog
Zo kaal en zo verloren

Op de driesprong weegt de lucht
Als loden koepel zwaar, en daar
Beneden lig en staar ik naar
Een vuilgeworden Rembrandt, zucht
En snik ik, uitverkoren?

– ik wil het niet meer horen.

Tijdens Omslagvergadering, in stilte tegen Erik (lay-out).

Blank

Zwarte dozen hangen dreigend
Boven mijn vermoeide hoofd
Mijn aandacht, lang al, uitgedoofd
Mijn leven naar een vrille neigend

Knallend klapt de aarde nader
Bode van een harde dood
De bodem, nu te zien, per zood
De hemel plots mijn stervenskader

Lieve hemel, welk sensatie, scherend door het groen en grijs
Van laag tot laag, trapsgewijs, stuiterend langsheen de wolken
Kaatsend op de schuren af, hun rode dak bedekt met ijs

Zie de scheuren in mijn valscherm, hoor mijn hersens kolken
Voel mijn onbereikbaarheid, mijn eenzaamheid, de koele zeis
Die nu, terwijl mijn wade zakt, mij splijt, de pijn van duizend dolken.

Tijdens Grootes’ Renaissance.

Aotearot

Zend mijn drakkars langs je kust
Vaar je fjorden glijdend binnen
Knalbegoochel al mijn zinnen
Gun mijn ogen nimmer rust

Parel in een blauwe zee
Vol haaien en dolfijnen
Laat mijn hart niet langer kwijnen
Sleep mij naar uw stranden mee

Zet mij zwevend langs basalt
Toren boven met je toppen
Vanwaaraf je schaafijs valt

Dwing mijn bloed tot sneller kloppen
Tot het je natuur vergalt
Omdat mijn drift niet is te stoppen.

Tijdens Grootes’ Renaissance.

Spotsteek

Sterf, liefste, ik heb
Nooit gelogen, ik
Kronkel gebogen, ik
Kleef in je web

Dus beweeg ik zo min
Als mij mogelijk is
Lijk een halfdode vis
In een ververvuild Zwin

Jij, niet de spin
Maar zijn gemalin
Boos, omdat ik niet beweeg
Geloof, ik leef, omdat ik zweeg.

Aan Yvonne.

Kwaad bloed

Hangt mist in mijn grofkop
Dan leef ik voor lagen
Van onderbewustzijn
En laat ik verdagen

Wat werkelijk is,
Belangrijk en echt
Door de hardere realiteit
Die ik, als het heldert, zo grondig bevecht

Wreed en pervers, van agressie vervuld
De wil tot vernaggelen nauwelijks verhuld
Beschuim ik uw straten, mij nauwelijks bewust
Van mijn wonden, waaruit uw veroordeling pust.

Un vent d’été

Waar in zomerzon stoffige zang schraapt
Broze snaren breken naast een ingestorte brug
Bola’s hard op hardboard ratelen, ochtend in frituurzon slaapt
Daar vervloog mijn ziel zoëven, net een versverstorven kuch.

Want Jacq zou op vakantie naar Avignon (ging niet, bleek).

Intifadah

Paren kille ogen verrekijken onbewogen
Staren naar het slagerswerk, roodgereten vlees
Haat beheerst de trekken van de doodgeschoten wees
Krampachtig naar de trekker klauwend, stervend, zinloos pogen

Stof verkeert tot stof, God heeft ons belogen
Oog om oog, tand om tand, omdat de tranen nooit meer drogen.

Naar aanleiding van verse BBC-beelden.

En hermelijn

Breng Mw. S. een paarsgele rolfluit
Een masker van Mickey en ovenwanten
Zet haar, de armen gespreid, in de kranten
Blaas haar de kant van de olifant uit.

Aangaande Elisabeth Schmitz, Haarlems burgervrouw.