Ga naar de inhoud

Chielie's gedichten Berichten

Afknal

Mooie woorden
Moord en doodslag
Morgenochtend Ratko

Zeg mij kaddisj, ergens weet ik
Nergens zweet ik
Niet maar het moet zatzo.

Tweede gedicht van bijdrage aan performance-festival ‘Alles Moet Weg’, 23 maart 1996 in Vide Cultura te Haarlem.

Wild jong geluk, onbevangenheid…

Wild jong geluk, onbevangenheid
Stuk als staketsels die vallend verstarren
Kabels van pijn in
Een muur van woestijn
Enkel de eenzaamheid sarren

Angst en verlangen
Niet beter te vangen dan
Hier in een zuchtende zon
Banger te hangen in wat nu nog komt
Dan te sterven in hoe het begon.

Nog gevonden V.

Netsplet!

En dus, vandaag, is alles weer
Zoals de dag al jaren
Domsnood blijft en woekert rond
En Heildood woelt de baren

Tien jaar verder, in ’t verkeer,
Alles tot bedaren,
Is men zich, verherversnoekerd,
Elders aan het smijtbezwaren.

Maar ik heb er hoofdpijn van
Magenta zien mijn lenzen

Ga in Godsnaam, als dat kan
Ergens anders drenzen

Naar aanleiding van opstelling Magenta in discussie met en in reactie op voorstellen van NLIP, aangaande racisme & kinderporno op het Internet.

Flatnet

Maar hier tiert vrijheid
Graaft zich blijheid
Dwars door grijze muren

Hoog maar vochtig
Staat het tochtig
Van ’t balkon te turen

Wildefeestbeest, voetbalgang
Slooprelaties, ketterzang
En vissen bij de buren

Pang!

‘Flatnet’ is het interne videokanaal van de Weesper studentenflat.

Vaarval.

Saaie babelbabbel, vaal
Weet alleen niet waar gehoord
Aanvalssabbel keer op keer
Roestversneden snaar

Eenmaal mat en afgespeeld
Alle rein met tijd vergoord,
Plat, beschimmeld, grijs oud zeer
Landt de kale ooievaar

Oplossend vermogen.

Zomaar midden in ’t gesprek
Trek ik grote ogen
Slik eens diep en denk ‘verrek
Al is niet papier dat vliegt
Wel in vrilles en, da’s gek
Ook zo raar verbogen’
Los van veer, dus rijp voor pek

Naar aanleiding van vergadering van de NLIP-werkgroep ‘Meldpunt’, in het tuinhuis van Euronet, Herengracht, Amsterdam, 17.08.1995.

Perron 1

Zelfmoordoord engeltje
Bengeltje boven de muur balancerend
Scherende meeuwtjes en waaiende wolkjes
Ruikt als een haring in zuur
Vijfhalf de voltrein
Uit en weer aan
Ik houd niet van hollandse schilders.

Verduiveld

Ivoren torens tuimelen
Halfpathetisch onder hem vandaan
Penseelprofetisch strijkend
Hemelreikend tegenstaan

Suizend huilt die builse wind
Hakkelend van argwaan
Luid verbrokkeld, onverwond
Hard er onderaan

Lang gelag dat verder gaat
Laag en hellig: rosdoor warm
Zwaanridder, rasbidder

Diep verzield van cynizijn
Pampuswankel cirkelzien
Zondefop, modelklankarm.

Pathologie II

Slinks, stil en met reden
Slim, sluw en tevreden
Rammelt zwaarzwanger de kas
Door de zalige zeem van den Ende
Gevonden op vliedende gronden
Van, wassend, de ramp die, met grof geld omwonden
Op deze jaarbeurse schouwtafel ligt
De sneersnoeve blik omhoog gericht
Naar vanwaar Hennie Heiland gaat komen
Historische ijdelheid, vrijgeleid door
Een nieuwe watersnood –
Dit vlakke land is brood.

Want wie ditaangaande naar ’53 dweept (stammen, stammen), dient zich te schamen als wie het franse dodental negeert (de BBC, onder andere), en commerciële exploitatie van leed is een verhaal van kemel en Arabier: snel slinks verlakken. Zie Pathologie‘.

Kokon

Kopop klauter
Rijt en trek
Prik en louter
Veer om pek

Reik en ratel
Rijs en wek
Strijk en spatel
Rag en raak

Gapend naar een haren baak
Door vlakte voor, trog
Over en bek.