Het regent waanzinnige druppels
Ik ben niet van plan ze te vangen
Ze zijn me te zacht en te zinloos van aard
Ze worden maar fijn in de bodem bijeengegaard
Ik laat ze mij mooi niet stangen
Dit hoenderhok verdient zijn knuppels.
Het regent waanzinnige druppels
Ik ben niet van plan ze te vangen
Ze zijn me te zacht en te zinloos van aard
Ze worden maar fijn in de bodem bijeengegaard
Ik laat ze mij mooi niet stangen
Dit hoenderhok verdient zijn knuppels.
Paljas op podia
wacht in de nacht
eerder de wandelaar,
immer verteller
sneller chauffeur
dan de doorsnee besteller
minder malheur
dan de woelende wankelaar
bouwer van paginae
rondzoekend roosteraar
met de muziek mee
naar altijdgedacht
en maar immer verdacht
want projectie werkt sneller
dan geen agenda
anders dan slaaptekort
een voortdurend vort,
hup met de geit
(die, in stilte, decennia tijd verbeidt)
het is de wil tot het eeuwige ja
omdat nee niet werkt
en wél werken sterkt
maar ik doe het mijzelf wel steeds minder goed na.
De herfstmug die, stervend
de mens tracht te teisteren
lukt dat niet bijster en
werkt niet heel wervend
is wat verwend met de zomer wellicht
Een stervende herfstmug is geen gezicht.
Hier ligt een kans,
in de dans om de dingen
om nu dan te doen
waarvan men zal zingen
later, veel later
als alles weer groen
dus met groter fatsoen
is, als snater en schater
elkaar weer verdringen
op water dat lacht:
“’t Is beter dan toen
we moesten ons dwingen
maar kijk wat een pracht
in de vaart van thans.”
Mensen op een Manitou
ze zijn op steeds meer plekken
waar ik, allang aan slapen toe
probeer niet te verrekken
Dat is gerelateerd
ook dat nog en wij zijn dat ook
niet snel van de kook
en extreem getalenteerd.
Het rammelt van de misperceptie
en van misbruik en projectie
Gaat ‘m niet hard worden
heb teveel, op smakelijker borden.
Maak mij liever niet geliefd
dan dat ik mij verloochen
De regen in dit leven
valt bij bakken, maar maar even
Je moet het zwart bekijken
om de kleuren te verrijken
dat dat donderwolken weghelpt
en het bloeden van de schok stelpt
moet niet worden doorgebriefd:
dat voel je aan je eksterogen.
Wat rent schielijk over hei
als deel van grote golf?
Wat maakt sommigen heel blij
en anderen heel boos?
Wat is al een poos
waar geen schapenboer voor koos?
Wat gaat niettemin niet weg,
wordt alleen maar meer
maar verheugt toch velen zeer?
Het is prijs én pest én pech:
de vastgestelde wolf.
In mij leeft een peilloze haat
jegens het onfatsoen
dat denken dat niet denkt “Doen wat je kunt”
maar “Doen omdat het kan.”
Dat “Hadden ze maar niet moeten worden.”
Dat “Sterker is beter, fuck andermans pijn.”
Dat “Winnen rechtvaardigt mijn zielloos venijn.”
Dat “Als je niet meewerkt dan stuur ik mijn horden.”
Daar vind ik dingen van.
En daarmee doe ik, is het punt
wat ik, vind ik, moet doen:
niet schieten maar stemmen. In dienst van de staat.
Een deugende overheid dient.
Waar je mutsje zomaar van je harses waait
en het dito pluisverlies je baard verfraait
Iedereen amechtig tegen wind in fietst
alvorens men een biertje bij een ander bietst
Daar bestaat verhardend volk
dat zich in de wilde kolk
van dreig en draai
zelf staande houdt
Dat zich, ook als nat en koud
en hijgend, taai
tot eigen land verbouwt
en daarin zichzelf zelfs wantrouwt.