Tevreden verzeild in een eind aan
waantrouwen
sla ik mijzelf met wat gin in de
touwen
giet ik mijn lekgok vol grok
tot ik tonictol
dan – is daar plots nog
de loeiende mol
die mijn trots op de mensheid
verstelt.
Tevreden verzeild in een eind aan
waantrouwen
sla ik mijzelf met wat gin in de
touwen
giet ik mijn lekgok vol grok
tot ik tonictol
dan – is daar plots nog
de loeiende mol
die mijn trots op de mensheid
verstelt.
En dat met die soldaten?
Het is toch godgeklaagd, dat wij
gister groot nog brulden
dat van kindsoldaten onze tenen
zwaar verkeerdom krulden
terwijl wij wel de eigen tiener
fijn de slag injagen
en dan verdiende zuipzucht
en zo hier en daar een matpartij
ineens niet meer verdragen
Waren wij zelf niet ladderlam
Om minder, vaak niet eens een schram?
alsof de Taliban
(verdomd, dat klopt nog ook)
niet zuipen, niet hoereren
en Allah altijd eren
sodemieter op – het liefst nog naar de Grieken:
kloteklappers om te slaan, bij het ochtendkrieken
Boter op je, boter op je
boter op je klotekop.
Tonight we dine in hell: het land van CDA.
De paaspest die mijn palen plaagt
heeft ook de post bedonderd
Zo zit ik hier nu, in de kou
– de warmte uitgezonderd
Ik, vernaggeld door de klacht
van overleefd verwende knechten
wacht onmachtig lang op mij
(mogelijk tot diep in mei)
om de zure muur te slechten
TNT hoort boem te doen, niet pakjes te bezorgen.
Ik ben het knagend paasgevoel
dat in zijn ei zal wachten
totdat het weg kan rennen
om jouw onrust te verkrachten
De haas die weet, wat ieder eet
in zonvergoten stilte
de embryoos die sneven in
de paasverholen kilte
Erger dan de zonde nog
is het echt geloven
dat iemand zich verwaardigd heeft
jou zelf die kool te stoven
dat het goed is wat je doet
omdat het hoort, omdat het moet.
Om de maan te waarschuwen
springen wij over het schip
als de hemel op ramkoers
ons wezen ontvoert
lopen wij snel, in een dip
op een klip
Maar het is een prettige paasdag
hier, en ik
waarschuw de zon
wuif naar de zon
onverstoorbaar vast in baan
hou je vast, ik kom eraan.
jaja, zo gaat dat
als verwacht
wat langzaam, wel
weloverdacht
’t is niet minder, maar
zelfs met een Bentley
ben je nie, nog nie, er nie
blijfloos nimmerklaar
werksniewerk. daar.
Bij het tevreden verliezen, van YaYa, als klant.
Het gaat om belangrijkheid
Niet van jouzelf, maar
van dingen, voor jouw
Bestaan
Niets dat dus uiterlijk
uiterlijk is, gaat
daar een spat van
Daan
En wie waagt, die wint soms
maar niet
als-ie waagt om het wagen
het wagen wint niet
Het wagen wendt immer
tot zinloos verdriet
Blij dat ik rij
ik heb wielen, jij niet.
Komt lente, komt hagel
(huilende wind door
een kaal Tintagel)
Komt zon om je mondhoek
Een lach in de lucht
(alle gedachten
gebouwde kastelen
plannen mislukt
voor elkaar op de vlucht)
Alles wat uitliep
verwaaid in de knop
Maar aan mijn hartshiep
geen bodem, geen stop:
’t Is lente omdat ik dat wil.
ik zie een bungelend balletje, wit
vlak boven je tieten
en een nepbontrand, ook wit
dat noem ik genieten
boven jouw prachtige reebruine ogen
prijkt een rode muts
onder jouw rug prijkt, ongelogen
niet meer kwijt, mijn kluts
ik ga, vanavond, maar eens
met de kerstvrouw lopen
dat komt straks, maar eerst ga ik
nog een drankje voor je kopen.
Ik hoorde vandaag dat het lente was
Dat is niet waar, want dat duurt nog een weekje
Maar ik zag je vandaag, op straat
en zo keek je
Alsof het vandaag al lente was
Het is nog geen lente vandaag, maar ik weet
dat jij weer zo zult kijken
Als je, over de leegte heen
mij je hand zult reiken
Dan zal het zomer zijn
op straat, en in mijn hart
Vandaag is het geen lente, nog
Maar tering, dat gaat hard.