Men zegt dat
in donkere krochten
(die trouwens aan het
daglicht liggen)
al die mensen niets meer mochten
maar ik was erbij:
zij waren vrij.
Men zegt dat
in donkere krochten
(die trouwens aan het
daglicht liggen)
al die mensen niets meer mochten
maar ik was erbij:
zij waren vrij.
Kerosine, creatine
stralen gouden ecoline
windturbine, geld verdienen
Oekraïne: zinkmarine
Velden vol zwaxinelichtjes
Muren vol bederfgedichtjes
Klaslokalen vol plakkaatverf:
binnenzeeën vol gesterf;
WAT gaan we hier eens aan doen?
Met dank aan Sjaak Vrugt en ander gespuis in Lugosi’s.
Ik verloor, hier aan het water
alles, maar ik heb voor later
toch nog veel van wat ik ben bewaard
dat valt niet iedereen op
ze denken vaak, dat ik ze fop
maar zo de gasten zijn vertrouwt de waard
en aan mijn lieve draairivier
doe ik niet mee aan dom vertier
nee zeg, ik val nog liever in mijn zwaard
ik glimlach, maar ik neem het mee
ik adem hier, dichtbij de zee
de lucht van weinig, dat me wordt bespaard
zo is mijn stad, ze neemt en geeft
ze kijkt naar dat wat jij beleeft
en is geamuseerd, maar nooit bezwaard
mijn stad, onder de wolken
die steeds wilder willen kolken
veegt je zonder gêne, van de kaart.
Mijn stad is hard, en harteloos
maar heel erg mooi en nimmer boos
je woede neem je zelf maar lekker mee
En niets van mijn stad klopt ooit helemaal
maar ze is wel een prachtig verhaal:
mijn kleine stad, waarvan ik zo houd, bij de zee.
Waarin ik het woord ‘nonstrop’ uiteindelijk niet gebruikte.
Ik turfde al je grote daden
Kwam ik tot twee hoog
Ik checkte zelf je tas, ontdekte
dat je me beloog
Nu ben ik goed, maar nog niet gek
mijn hoed zit vol met veren, pek
en leren dat je daarvan
dan weer doet
Dus zoek het uit, vermaak jezelf
maar voortaan zonder mij
ik blijf wel op mijn bergtop, want
die bergtop maakt me blij.
Het leven, dat men liever stuurt
maar daardoor juist te vaak verzuurt
laat zich niet zomaar leiden
Het lijden en het klagen
het zwoegen en verdragen
teisteren de groene weiden
en het water stroomt wel door
(ook als ons bloed niet langer)
maar daar zijn ook pillen voor
(ja, het kan nog banger)
De waaiende wind
die al dertig jaar stinkt
naar dixieland-orkestjes
en glanzende auti
en gladdige fauti
sigaren, achter vestjes
die wind stinkt keihard uit mijn bek
als ik, in vreemde, “Nederland” zeg
dat doet pijn, het is onkek
en, voor ons allen, uiteindelijk, pech
Wordt toch eens wakker, stakker.
De mensen mompelen maar wat raak
meedogenloos mummelen, markt en plein
lopen over, van laag geraaskal
konkelen heerst, zoals vaak
braak en verlaten de weg naar welzijn
boven de twijfel de aanval
weg met vreemd, maar dol op shoarma
vereend onderweg naar
vernietigend karma.
Straks, als je zelf niet meer hier wilt zijn
komt de hoop op een haven, maar
dan ook de pijn.
Ik ben mensachtig
en juist daarmee mens
ik leef in de leegte: Ibiza.
Ik vul mijn dag met beluga en bubbels
en, als het niet anders kan
pizza.
Ik vind het prachtig
om, dat is mijn wens
schietend te sterven in treinen
Of mensen het hoofd af te snijden op beeld
en te dreigen met meer,
van de mijnen
Ik ben slechts machtig
achter mijn grens
waar ik bang en verzuurd mij verschuil
andermans trubbels zijn andermans trubbels
ik was mijn handen van anderman,
vuil
Ik word wel tachtig
en schuif steeds de grens
van wat kan en wat mag naar een tikkeltje verder
Ik ben dat allemaal, jachtig, verveeld
wreed, lief, dom, slim en zeer
onbekommerd, zowel als een herder.
Wie denkt dat ik een deeltje ben
is typisch, wel, voor mij
maar gaat daarbij aan menig gen
en half zichzelf voorbij.
De man van heden maait het gras
dat blijft zoals het vroeger was
wel kortgewiekt, maar toch verziekt
want altijd weer dat groeien
De man van heden denkt, wat rondjes
om de trampoline – het is om te grienen
Dit volk-met-korte-lontjes
zal helaas wel blijven bloeien.
Bij prachtige
Altijd in deze
ik ben van niets zeker
behalve het niets, dat
nooit loslaat
En ik streef en verzet
tegen alles en nog wat
omdat dat nou eenmaal
zo gaat
Een mens heeft, in wezen
louter de gifbeker
eenmaal op straat
heb je het al gehad
is het uit met de pret
en voor alles te laat
Maar de pracht op je pad
is allang niet meer praal
De mens is, in wezen, uiteindelijk
kaal.