deimos, daemon popularis
koning, keizer en vicaris
een dag lang weer allemaal gelijk
voel, de bries hier, met een doel
steekt weer op, meer warm dan koel
de zon schijnt in ons koninkrijk.
deimos, daemon popularis
koning, keizer en vicaris
een dag lang weer allemaal gelijk
voel, de bries hier, met een doel
steekt weer op, meer warm dan koel
de zon schijnt in ons koninkrijk.
weg met ons, wij deugen niet
samen zijn wij stuk verdriet
kijken wij niet verder dan
de kortheid van de neus
lever dit land dan maar uit
aan de zwarten, geef ze de buit
van hun brallende hart, kan
louter falen, heus
de grote lijn is traag en dom
alles komt vanzelf weerom
en niemand die het ziet
ons denken is te log
komen doen ze toch
je bedaart ze niet
de baren, van de kolk
ga toch stemmen, volk!
De paria’s die roken
zouden meer respect
verdienen dan ze krijgen
nu, ze kleumen bij orkaan
ervan niet eens ontdaan
in donker, onder windhaan
dat waarnaar wij neigen
is verre van perfect
geen licht, maar wond, ontstoken.
Ik kijk weer naar de stille swoesj
het eind is weer begonnen
Ik gleed net van de trap, zo is
het bloed nog niet geronnen
of de pijn slaat alweer toe
ik ben het leven moe
maar kan niet rusten tot ik
nog meer, en nog verder
doe.
Als Haarlem Haarlem was
dan zou ik haar geloven
maar alles is gelogen
in dit rondje bij de plas.
Mijn fijne stad bij de zee
is zichzelf, zelfs als niemand
dat ziet. En altijd perst iemand
haar weer in een lied.
Maar daar past ze niet in, dus
dat drijft vanzelf, op de brede
rivier traag de stad uit.
Ze doet vanzelf toekomst
ze lacht om het heden
Kalm in haar trage sliepuit.
Ze is ijskoud maar knus
heeft vanzelf haar bekomst
maar ze klaagt niet, ze doet
het ermee.
Het is mij een groot feest
als men zich gaat verhangen
ik lees het in de blaadjes
(die vullen trouwens gaatjes)
Wind, en regen, hebben andere belangen
dan de treurnis die er is geweest
Het ruimt zo lekker op. Snirf.
Ik ben zieker dan gister
maar niet in mijn hoofd
ik heb veel te lang in
jouw onzin geloofd
dus dat doe ik niet meer, en
je zoekt het maar uit
in je veilige bubbel
van eigen geluid
je blijft een betwister
en daar dan heel bang in
voor echte meneren
je hebt het verbruid.
Ik wil wetten
een wet tegen kou
een wet tegen warm
een wet tegen mij
en een wet tegen jou
ik wil wetten
Een wet tegen stijgen
een wet tegen dalen
een wet tegen stilte
en een tegen verhalen
een wet tegen leeg
en een wet tegen vol
een tegen normaal
en een tegen te dol
een wet tegen wetten
en tegen verslaving
en, voor de kick
een tegen Handhaving.
Zoutzeer past in alle wonden
maar heeft niet altijd gelijk
kent wel vaak een groot bereik
tot in Utrecht, soms
Oud zeer maakt de ronden
en het grijpt wat naar de keel
maar het is nog steeds niet veel
buiten Homs.
Herfst, die in zijn glorie knalt
en nimmer mijn humeur vergalt
(ik leef op, als mensen hangen)
lacht om uw belangen
Telkens als ik onzin zie
denk ik “Wacht maar, eikel
valt nog wel, komt herfstheikel
telt altijd voor drie”.