Ratelend smijtwater tegen het raam
slagwind en waairuis, een reus van een storm
maar ook afterlunchdip, tijdelijk lomer
hier leeft de opwarming op naar haar naam
En loeien wij oei, maar alleen voor de vorm
middenin de zomer.
Ratelend smijtwater tegen het raam
slagwind en waairuis, een reus van een storm
maar ook afterlunchdip, tijdelijk lomer
hier leeft de opwarming op naar haar naam
En loeien wij oei, maar alleen voor de vorm
middenin de zomer.
Ze zeggen dat het verder is
dan alles bij elkaar
maar ik vond het heel dichtbij
en dat niet eens zo raar
Men verliest zich in gegis
maar voor wie oplet, is het daar
breng uw beste visgerei
en ook een grote snoeischaar
Wees nog slimmer, luister goed
naar wat u toch al weet
dat u liever in-, dan uittreedt
schitter, in uw onzongloed.
Het is een kwestie van godallemachtig
een krachtig beleven van discuplezier
vroeger, in de jaren tachtig
was het ook leuk hoor, maar niet zoals hier
Nu, in de onzintijd
krioelen de smoelen verheugd door elkaar
van hun is verdorie, en ook het gemaar
tot in de eeuwigheid.
Ik wil wat tijd om een kaart te versturen
een kaartje naar jou, en naar jou
om te zeggen dat ik, wat meer dan je buren
op stille momenten nog steeds aan je denk
En het is maar een armetierig geschenk
zo’n kaartje, maar juist om het turen
ernaar, en de uren besteed aan de bouw
door te denken, van dat wat erop komt
die laat ik graag nog duren
totdat de roep verstomt.
De kranten vandaag, vol met misinformatie
geven de werkelijkheid goed weer
en van kerkelijkheid is er ook al niet veel meer
de wereld werkt zich door haar statie
de aarde, intussen, neemt ons ertussen
wij maar zo druk doen en zij maar zo zijn
wij, klem tussen kastelein en azijn
proberen de brand met benzine te blussen
Maar lol dat we hebben, afijn.
Ik roep graag in woestijnen
het is er lekker rustig
het is me hier te vaak teveel moeras
gewoon te kustig
Met kleine koninkrijken
te laf en te kortzichtig
te stampen in de bloedplas
te arm en toch stortplichtig
Telkens als ik dat bezichtig
(waar ik al veel vaker was)
maakt dat evenwichtig
tegen mijnen om de mijnen.
Geluid van geen schreeuwende stem.
Ik vind het koud
Ik vind het naar
Maar ik steek bloemen in geen haar
en vier een vrolijk Pasen
Ik kuch steeds minder
dus ik zinder
alles komt in fasen
Bovendien, je weet het nooit
liever niet veel tijd vergooid
tot de metastasen.
Het is lente zolang nog
de wind door het huis huilt
als je de ramen openzet
Het is lente zolang nog
het wasrek uitpuilt
planten hunkeren naar verzet
en ik nog taai groen slijm ophoest
het voelt alsof het hoort
het is alsof het moest
Het is pas zomer als
we zuchten van de hitte
en, vlekken in de hals,
op alles en elkander vitten
als die gast-met-mijter
met het cruisen in de kop
alweer inslaat, pakjessmijter
Kijk! Der buren kuitenbijter
(tegen rede mordicus,
nonhond excellenticus)
schrokt z’n eigen stront op.
De meeuwen op de daken hier
die krijsen van het onplezier
zich ergeren aan alles wat wij doen
(behalve dan de vuilniszakken
die wij naast containers kwakken
waar ze flink de bek inprakken)
zijn een kwestie van fatsoen
want beschermde diersoort
die mogen niet vermoord
zo heeft mijn stad, hier aan de zee
altijd al eigen waanidee
over hoe het hoort.
gebeden, onverhoord
ze helpen niet, maar wel geluid
met punkrock jaag je ze eruit.
D-doei, ga lekker vliegen.
Nu het nog mag
(Dat het nog kan zeg
Groot is nog steeds niet echt
onze pech
Was-ie ooit wel, nooit vergeten
dat is wat ons hecht
dat wij leren en dus weten
onder onze prachtvlag
Zelfs rechts mag zeggen
wat het hier denkt
al die jaren al)
Elke vier jaar is het bal
Dat wij heden dansen
Burgers, grijp uw kansen
in ons vrolijk tranendal
durf met durf, sta op, sta pal
voor waarnaar uw ziel u wenkt
laat uw lood niet leggen
U mag alles, bent de leeuw,
meen ik onsarcastisch.
open dus het raam en schreeuw:
“het is hier fantastisch”!