Je gekras, dat
Krijst om een pijl
Bedoeld als laatste over Willem van.
Je gekras, dat
Krijst om een pijl
Bedoeld als laatste over Willem van.
Tuimelt naar blauwe facetten
Dansende zon in een helwitte lucht
Wankelend, zand en helmgras, zucht
Vlinderend water, lege netten
Tsjirpen, zwevend, citrusmelkgeur
Stofdroog sloffend steengeschoffel
Corpulent, sigaar en troffel
Goed humeur wat ik bespeur
Ontsporende dames, krassend kakelend
Omklapkoffie, vallende suiker
Waanzinnig woedende drugsgebruiker
Want stuivende coke, en aftakelend
De lucht van agressie heet eerste bloesem
Heet, maar verwaaiend, en overal haast
Reuk van schroeiend vlees, ik drink droesem
Loom, lam leuterend, verdwaasd
En kijk! Daar wandelt een deinende boezem
Met loeiend, eraan, wat ligt, slaapt en graast.
Ter kantine en bij Bork.
Voor ons passeert een bebrilcreamde muurkuif
Offer van honend, neerbuigend gekijf
Misdrijf door Wasbord en Nikkellijf
Snel nu, vanonder de huif naar de ruif
Honger komt snel na zo’n eerste bedrijf
Bestel nu, alles kan, van duif tot kluif
Ik verwerk alles, schokschouder en gnuif
Haarlem hongert ook weer, stijf
Dondert op met uw lawaai
Voer mij minder van uw pus
U is te hol, te luid, onfraai
Geef mij cumulus en stratus
Wonkende wolken en vleugels, een luchthaai
Ja, spaar mij uw muskus en staat, qua status.
Op Egelantierschaaktafel buiten.
Toen alle hoop verloren leek
– er klonk alleen nog troep –
Toen alles wat nog speelde zeek
– nergens meer een goede groep –
Toen alle hoop verloren leek
– de kunst stond in haar blootsje,
de muze had een zonnesteek –
Toen schiep God ‘Ha! Kadootsje!’
Bij Bork, ontwennend.
Je zocht en zocht, maar nergens vond
Je waar je ei dat warrig is en rond
De luchtmacht zoekt nu mee naar een F-16
Die raast al jaren in jouw bovenkamer rond.
Ter Ed.
Parodie op Stip, te ondertekenen met ‘Ms. Punt’.
De bomen waren as
De lucht was zwart
De heuvelen zonder gras
Lagen op mijn pijnlijk hart
De mannen werkten niet
Rondom in ’t riool
Als groeven ze met een vergiet
Maar kalm en zonder jool
Over de aarde leek
Waarschijnlijk alles stuk,
De wereld en het plakje cake
e leven vol geluk
Ik liet mijn liedje klinken
Bang en overstuurd
Mijn voeten die afschuwelijk stinken
Liepen in de foute buurt.
Bij Bork, ontwennend.
Zie Gorter, 1890.
Treft u er geen smaak meer aan
Schenk dan uw banaan aan Daan
En heeft u, aan de telefoon, genoeg van ’t Schild, Jan-Willem
Aarzel dan niet langer meer, geef hem door aan Schillem
En is uw auto slechts een wrak dat wentelt in zijn doem
Sla er dan een slaatje uit: verkoop het kreng aan Bloem!
Bij Bork, nog.
Onder het stationsdak vogelt het
De regen valt mij slecht
Soms, in het donker, kogelt het
Meest tuig dat tuig bevecht
Hier, altijd gassig, altijd klam
– teugelloze stad –
Vies en drassig Amsterdam
Van alles wat, zot en zat.
Wat een verslaving
Geen dichter, geen zanger
En toch aan de muze
Een leven en langer
Dit gedicht heeft niets met de gelijknamige kroeg aan de Riviervischmarkt te maken.
Durf! Leef!
Denk niet:
‘Ik ben een vergiet’
Maar denk:
‘Ik ben de sla
En wie doet me dat na?’