Ga naar de inhoud

Auteur: Michiel van Reenen

Misfris

Mooi rood kan zo lelijk zijn
Dat het pijn doet aan mijn ogen
Dat ik, willekeurig, denk
‘Het zou niet moeten mogen’
Dat ik, naast een strakker zwart
Verlang, naar minder ongein
Pret, die, niet zo opgewerkt
Maar bij gebrek daaraan
Alles wat wij zijn versterkt
Zonder dat ik dat bedenk
Gewoon, omdat het is.

Nieuwe Toneelschuur, Haarlem.

Beeldverhaal

Tegen twintig muren op
Springt een ranke hinde
Niet van dat geknepene
Hang naar dat gezwinde

Alle uren donderklop
Van de lamme, en de blinde
Krijgt de brede visionair
Dat air met een tattoo erop

Stil, verscholen in fel licht
Op de muur geprikt
Kwijnt een ooitverloren bloem die
Langzaam in het leven stikt.

Nieuwe Toneelschuur, Haarlem.

Oh. Nou.

Dus als ik jou
Er niet om smeek
Dan kom jij naar mij toe
Wat nou als ik, onverhoopt
Dat ineens toch doe?
Ga je dan van schrik hard rennen
Boos naar je vriendinnen pennen
Roepen dat ik alles heb verpest?
Weet ik niet, ik laat dat aan jou over, want
Jij
Weet dat vast het best.

Nieuwe Toneelschuur, Haarlem.

Zandstraal

Weet je wat ik, als ik
In mij kijk, op lentedagen zie?
Zon op groene appeltjes
Glanzend fris voor drie

Twee uur later drink ik cider
Want dat komt daarvan
Heel dat vat verzuurt vanzelf
Niemand koopt die olie

Maar ik maak mij de nomade
Liever dan een vatenplugger
Dan maar lege stase
Wie daar lang genoeg naar kijkt
Ziet vanzelf oase

En vindt haar, bovendien.

Nieuwe Toneelschuur, Haarlem.

Parkwacht

Dan komt dat krekelgras
Heel vanzelf langs, praten
Slaat het grote gaten
In de zwang, van alledag

Ik alleen bang dat ik lach
Mocht dat ooit nog baten
Kan ik dat maar beter laten
Voor wat voor vier handen lag

Zelf weer verder gaan.

Nieuwe Toneelschuur, Haarlem.

Zeemleer

Ik houd niet van fietsen
Als sport, maar misschien
Zou ik dat toch alsnog
Overwegen

Als ik niet zo goed wist wat ik
Wel zo goed weet
Dat ik dat dom zelfbedrog
Af kan wegen

En als ik niet al jaren deed
Wat ik doe
Dan werd ik die afbijterij zo moe
Dat ik spijkerkoud terug zou ageren

Maar nu glimlach ik minzaam
En blijf ik op afstand
De tijd zal, als altijd
Wel leren.

Nieuwe Toneelschuur, Haarlem.

Vragevuur

Is het de laatste keer dat ik
Dwars door jouw ijspriem zal kijken?
Donkere vlammen door fonkelend golven
Uit jouw ziel heb opgedolven?

Zal ik, over jarenparen
Dat opnieuw beleven
Als jij, eenmaal uitgedaasd
Bij mij zeil komt reven?

Weet ik veel, en als ik eerlijk
Zeggen mag, misschien
Kan ’t me ook niet schelen
’t Is jouw leven, bovendien.

Nieuwe Toneelschuur, Haarlem.

Leerzaam.

Ik kan mij jouw dromen
onmogelijk heugen
Weet niet wat, van elke leugen
Echt een leugen is

Dus ik zoek het dicht bij mij
Controleer en merk mij vrij
Van de zwelverdoemenis
Die jij mij smalend toedicht

En ik dicht mij weten
Dat ik nog zal zweten
Om een breder, wreder plicht
Zonder interpreten

Maar met harder leren.

Nieuwe Toneelschuur, Haarlem.

Opperloop

Dreefnevel drijft, laag
Terwijl ik met jou
Begin aan wat dagen gaat vergen
Dat langzame opklimmen
Nader tot ons
Tot het slaan, door dat eindeloos tergen

Wie hel betaalt, betaalt haar duur
Krijgt er eeuwiger jachtveld voor terug
Maar denkt er, bekomen van klam
Druipend koudvuur
Met enige weemoed aan terug

En ik blijf hier, in fort verstampend
Mij aan alle oud vastklampend
Jij gaat naar vers zand
Mazzeltov, na wereldbrand.

Nieuwe Toneelschuur, Haarlem.

Vrijtijd

En weer, terwijl
Rook verkringelt
Water buiten verder singelt
Breng ik vuur, dat
In mijn leden
Aandringt op volkomenheden
Naar een niets dat minzaam wacht
Armen gastvrij wijd gespreid
Inviterend naar mij lacht
Maar niets begrijpt van wat
In mij sluimert, onverstreden
Weet ik, het wordt tijd.

Nieuwe Toneelschuur, Haarlem.