Waanzinnige weidsheid verfrommelt mijn wezen
En doet mij verhemeld door Schalkwijk sjezen
De smaak van ontsnapping versgeil op de tong
Barst ik los in een supermelodische song
En knal ik op een paaltje.
Waanzinnige weidsheid verfrommelt mijn wezen
En doet mij verhemeld door Schalkwijk sjezen
De smaak van ontsnapping versgeil op de tong
Barst ik los in een supermelodische song
En knal ik op een paaltje.
Ik denk, ik doe van bel
Dat past zo bij die luiden
Edoch, een snierverwrongen zwel
Van hier tot slot in Muiden
Versnijdt Heer Chielie’s hart en ziel
En slaat er kruisen in
Gezwam spoort uit de nek mij aan
Gedender tegen zin
Ach, groot, alziend en machtig Heer
Bespaar mij zulk een nijd
En nagel deze adel
Aan haar goedgelovigheid.
TA
TA
TATATA
Speeltoneel priangel!
Rangtingtangel
Spritskarveel
Zonk in zwomp
Langzwangel!
Daar zweeft de zwarte kauw
Vanaf de grijze transen
Doorheen het najaarsblauw
Dat voor mijn ogen lijkt te dansen
Gevleugeld doodsheraut
Een zwarte wintermare
Van kaal en bladloos hout
Van witte velden zonder aren
Daar duikt de witte meeuw
Vanuit de grauwe nevel
Vooruit de voorjaarssneeuw
Fluwelen heler van mijn wrevel
Ontteugeld levensbeeld
Een vuilwit lentestreven
Naar graan en druiventeelt
Naar lange beukomzoomde dreven
Helaas, het leven duurt niet lang.
Doodmoe staar ik de wereld in
De dag staart doods terug
Ein Realismus ohne Sinn
Een springvloed zonder brug
Maar dichterbij zijn mij de wolken
Meer dan werkelijkheid
Hun die traag de dag bevolken
Hoort een andere tijd.
Wanneer de deur opzijgeduwd
Vaalgrijze wind erdoorgestuwd
Wanneer de boze dromen
Ooit tot wasdom zouden komen
Zou ik verstijven
Liggen blijven
Wachten tot de wind weer was geluwd
Te bang voor kijken.
Niets is alles
Flats is vaal
Draperieƫen
Rond het staal
De buuv verbergt de leegte
Van haar sprankelende fantasie
Ze hangt er dik fluweel omheen
De domp van burgermansregie
Verstikkend warm en stil
En likkend lekt pastel naar binnen
Dit is wat de buurvrouw wil
Ik hoef ze niet
Zo’n mufheid
Alles niets
(voor Tjeerd, misschien)
En ik zou als ik dat kon
Het koor op vleugels zetten
En dan over het balkon
En niet op hoogte letten
Op zwanevleugels scheren
Langs een schitterende maan
Zachtjes langs de wolken veren
En ze wollig voelen wijken
Tot ik op dat strand zou staan
En daar zou ik al het zand
Oneindig door mijn lege hand
Tot stof laten vergaan
Het witte zand, het warme zand
Omhooggeworpen door de golven
Zou me daar hebben bedolven
Tot slechts zand nog restte van
Ik die ik eens was, geen man
Maar droom
Schalkwijk bij avond
De rust om me heen
Jagende wolken
Hoog boven het steen
De wind in mijn haar en
De zon in mijn rug
Het golvende water
De spierwitte brug
Intense kalmte grijpt je aan
Je glimlach gaat over in peinzen
Je ziet het kolken van de lucht
Je ziet de torens deinzen
Je droomt, en wenst
Dat alles blijft zoals het is
Je rent, je zwemt
En als een vis
Drijf jij in eeuwigheid
Je denkt “wat maakt het verder uit?”
“Ik heb toch alle tijd…”
Eindeloze onverbonden
Massa’s groene bladeren
Die stil fluwelig ruisen als
Het bloed dat door mijn aderen
Zo loom en rustig
Zuurstof, leven, rust en kalmte
Transporteert
Terwijl ik verder droom en loop
Bekijkt een kat gefascineerd
De mens die midden in de nacht
Alleen, volkomen onverwacht
Gegrepen wordt door schoonheid in
Een buitenwijk vol weidse pracht