Ga naar de inhoud

Chielie's gedichten Berichten

Visreis

Jij zwemt; ontsnapt, schiet weg
het gegurgel pech
glijdt, versnelt, om hoeken
al die vissers vruchtloos zoeken

raakt aan de rivier
het is heel verwarrend hier
breed en snel, het houdt niet op
zelfs niet na de deltastop

want daar is de zee
raar, maar wie zit daar nou mee
die er altijd thuis is?
Juist, het is de dwaalvis.

Op plotsverzoek van @dwaalvis te Brugge.

Ontstroppen

Maar men moet altijd stellen
want anders doet men niets
en zit men, onverrichterzake
eeuwig op de fiets.

Dat is het, hier ter dijke
in regennotedop
1 dop, 1 noot, 1 delta
ontzwommen aan de strop.

Hoofdstad

Dit fantastisch decor
Waar ik alles verloor
Dat ik ooit voor mogelijk hield
Blijft mij omarmen
In stilte verwarmen
Zo koud en zo kil als het zijn kan

Dit is het gouden grijs
boven rivierbocht
van vaart tot krocht
dat ik zie en bereis

En deze stenen
die alles echt menen
die blijven, bezield
althans langer dan wij
zo zijn niet wij, maar zij vrij
dat is fijn man.

Op hoogte.

Ik wou dat ik wat vliegen kon
zomaar, ver erboven
vrij van alles en van on
niets meer te beloven

Ik wou dat ik wat vliegen kon
gewoon omdat het past
Maar dat kan niet, dus dan maar
de driekleur in de mast

want dit wil ik geloven
met de handen in het haar
wordt alles beter, echt, heus, waar
hoera – oranje boven

Terras van Café de Roemer, Haarlem.

Deltatwijfel

Maar men moet altijd stellen
want anders doet men niets
en zit men, onverrichterzake
eeuwig op de fiets.

Dat is het, hier ter dijke
in regennotedop
1 dop, 1 noot, 1 regen
de zegen, of de strop.

Rechtspraak

Want we zijn de waakhonden
we waken over alles
bij wat lijkt, krijsen wij
“Hei, agentsje, knal ‘s?!”

Lijken wij verbonden
maar moeten niet gek kijken
als, de opwinding voorbij
we zelf op lijsten prijken.

Beatrix

Dank u, Lieve Koningin
voor, al die tijd, goed voorbeeld
in en voor een land dat zich
te snel, te fel, veroordeelt

U was bij het mooie, en
het erge en het slechte
zo waren wij daar samen
in dees’ steeds belegerd veste

Fatsoen, moest ieder doen
maar deed U, al, altijd
Zelfs onze waterzon wordt wat Yong-Un
van zoveel Majesteit.

Nu is het Majestijd, en ik
buig dankbaar, op 1 knie
zoals dat hoort, en hef dan ’t hoofd
naar de toekomst, die ik zie

wij en uw Oranje
Dank u, Lieve Koningin
voor meer, dan mooie franje.

En de dood ook

Ik ben een oude man in het
ondiepst, van mijn gedachten
met enige weemoedigheid
dat wel, en ook met klachten

maar klagen zal ik niet
want er is nog verschiet
en ik ben heel tevreden
met wat was maar is vergleden

ze noemen me “Meneer”
ik moet u zeggen, dat doet deugd
vrouwen schatten me te jong
ik weet niet of dat reden is voor vreugd

maar klagen zal ik niet
genieten wel, van elke
teug, waarvan dan ook
van schoonheid van verwelken

ik drink uit alle kelken
ik wil proeven, ook verzet
aan mijn lijf geen droevigheid
leve het leven, en de dood ook.