Eens erop dan nooit eraf
In fraaie cirkels zwieren
cheren door de scherpste bochten
Wie de fiets bedacht is maf
Gekreukt, vergekt, gesjochten
Zie ons gaan, de mensendieren
Onoplettend? Val de straf.
Omslagredaksie.
Eens erop dan nooit eraf
In fraaie cirkels zwieren
cheren door de scherpste bochten
Wie de fiets bedacht is maf
Gekreukt, vergekt, gesjochten
Zie ons gaan, de mensendieren
Onoplettend? Val de straf.
Omslagredaksie.
Tijd, wel wijd en zijd verbreid
Maar nodig, dan te kort
Veel te lang als snakt naar snelheid
Zelden rust, want altijd vort
Hermandad, als daar dan naar
Want duur en regulerend
Nodig, dan beslist onvindbaar
Als professie óók frustrerend
Weder, werkt humeurbewolkend
Slecht, dan altijd hier, nooit daar
Indien mooi, dan stadsontvolkend
Weer en mensen, dat werkt naar
Mens, volkomen onvoorspelbaar
Zomaar wreed, maar snel te soft
Zijn moraal een onvoorstelbaar
Bord voor kop van trage schoft
Dingen waar ik boos van word
Als zijnde gekke Chielie
Grapjurk waar nog veel aan schort:
Stond-ie ooit, dan viel-ie.
Overgang wekt retrospectie. Vlak voor naar tentamen.
Ritzen is een vis op spitzen
Snoefsnoek, foetsvis als het mis is,
Vismiss op de televisie,
Flitspoes? Misvis.
In revisie: ritspoes.
Ritzen is de smalle schurk
Met Urker idealen –
Wij gaan die voor hem betalen.
Amsterdam-Haarlem, treinterug.
Grinnikend spint de inktspin in
Wat, hinkend en al te fictief naar zijn zin
Droomt van torens over springen
Erebloedvlek, dat soort dingen
Wonden van een grote gouden pin
En morgen eet-ie.
Amsterdam-Haarlem per trein.
Twee klappende handen
Zijn ’s ochtends genoeg
Voor het raggen met zeisen
Met wijd gespreide tanden
Want veel te vroeg
Om mijn opstaan te eisen.
Donder op! Scheer je weg!
Ga een varkentje verkrachten!
Laat mij rustig slapen zeg!
Staak dit veel te veel verwachten!
Rek uw leven! Smeer hem snel!
Kuierlat u naar de hel!
En verder: goedemorgen!
Enter, Ov.
Meerespferdchen, Meerespferdchen,
Komm, erzähl mir daß
Du dich heute sehr gefreut hast
Denn Ich nicht
Sie muß mich hassen, was?
Dan was ik bij mijn vader op het dorp gebleven geweest
Als ik was als ik ooit had gewoond in een dorp
Maar ik woon in een stad en ga weg bij mijn vader
En moeder, die vindt dat wat minder, maar ik
Ben binnenskamers volgegroeid, ik puil mij uit
Ik ben te dik.
Als zonnestralen, jagend dalen, hard, van hoog naar lage luchtlaag
Voelt de man zich weer de man
De vrouw zich weer de vrouw, en ik
Getergd, bezweet en grauwig rauw
Ik haat de hele zomer tot erna, de herfst, weemoedig traag.
Weer Willem van Toorn.
Ergens in een heel groot bos
Ver weg in Engeland
Droomt de wakkere verklikker
Held in ’s eenoog’s land
Dichterbij ons Nederland
Droomt een Perzisch stenenbikker
Woedend moord en brand
En heiligheid, de god is los
De tweeheid van vrouwen;
Het boomloze bos;
De jasloze mouwen;
Een keiharde bros –
Het is niet ondenkbaar
Doch zeker wat zeldzaam
En denken erover is naar:
Het maakt eenzaam
Maar cynisch dus draagbaar
En denkbaar de God
Die een stripschrijver is, maar
Beperkt door het lot.