Waartoe knalt toch onbegrip
Klauwend op ons af?
Erger nog, als ik ’t waarom zie
Waartoe ren ik erop af?
Ben ik zo onverzettelijk
Dat ik zoek naar barrière?
Of maak ik van echt verzet
Ongewild mijn carrière?
Café de Roemer, Haarlem.
Waartoe knalt toch onbegrip
Klauwend op ons af?
Erger nog, als ik ’t waarom zie
Waartoe ren ik erop af?
Ben ik zo onverzettelijk
Dat ik zoek naar barrière?
Of maak ik van echt verzet
Ongewild mijn carrière?
Café de Roemer, Haarlem.
Poedersneeuw pretlegt
Een laag op de daken
Stuivend door loodgrijze luiige luchten
Vliegt-ie om vluchtende vogels heen
Ik weet niet wat dat zegt
Waar het gaat raken
Of we er iets van gaan hebben te duchten
Ik houd van jou, weet ik, alleen.
Toneelschuur, Haarlem.
Waar, in traag, oneindig laagland
Breed rivieren stromen
Denk ik liever niets, maar laat ik
Koeldrift vrijuit komen
Ik omring mij met meer Hendrik
– hef, hooguit, de hand –
Laat dit land, dat langer al was
Aanwas maken, blijvend dromen
Van wat goed en echt oprecht is
Harder dan de sufperceptie
Soepel zwemmend nedervis
Stuwend tegen misconceptie.
Toneelschuur, Haarlem.
Staren naar een vingerplant
Alle veren vers aan kant
Helderwit gekleurd en altijd
Overal op voorbereid.
Stalen haren overeind
Klaar en krachtig uitgelijnd
Drammend rammend voorwaarts
Verder naar de verste tijd.
Officia 2, De Klencke 4, Amsterdam.
Middeleeuwsde waanzin was de waan vandaag
– maar jij bleef kalm –
Heel heethoofdig kolkte het zichzelf omlaag
– tot in jouw handpalm –
Koel, koudbloedig, bleef jij grijnzend rede preken
– achter aswalm –
Tot je toesloeg, flitsend springend
– prachtige rivierzalm –
Mooi in stervend avondlicht
En in je vrijheid raak
Ja, het was een mooi gezicht
Maar daar hang je, aan die haak
Flippervis gevangen
Toneelschuur, Haarlem.
Als ik mijn kaboutermuts
In wijnazijn verdompel
Wees dan op je hoede
Als ik trapstamp, langs, in guts
Onder boos gemompel
Maak het je dan kalm te moede
Ik zal jou nooit schoffelploffen
Of je kop vol kul ontstoffen
Maar ik denk dat, in mijn woede
Jij het langstro trekt
Wel gelukkig, niet oprecht.
Onzin gaat voorbij
Toneelschuur, Haarlem.
Oh, als nu dat neusje
Bruggen bouwen zou
Dan bracht dat beter bomen
Nu krult het in furie, rauw
Mokkelmoord door kneusje
Heus, ik ben een plantverbreider
Van mijn groendrift
Strak de leider
Maar dat liever dan de kift
Die ik vind in jou
Omdat ik, waarde femkefeeks
Niet van kiftdrift hou
Toneelschuur, Haarlem.
In jouw groenblauw heilheidsdenken
Past jouw brilgrijns onverlet
Er is door de minderen
Meer met minder wel verzet
Maar in het vandaag van heden
Kent ons volk weer zelf zijn mos
Dus weer negen lettergrepen
Wouter Bos, Wouter Bos, Wouter Bos.
Toneelschuur, Haarlem.
Diep scharlaken schoonheid schrijdt
Verlopend naar de bar
Uitgelopen rouge glijdt
Haar valt in de war
Maar je blik blijft stralen
Ongelogen, wat jouw ogen
Zijn en zien trekt kale zalen
Vol, geen woord gelogen
Ik, uit voorzorg kaalgeschoren
Wentel rond mijn ring
Weet mij veilig in waarvan ik
Wezensheel voor altijd zing.
Toneelschuur, Haarlem.
Zo de waard is staat zijn muts
Te paard, te zwaard, te water
Alle mensen worden broeder
Maar, dat liever, later
Want wij zijn de hoeders van
Onze eigen tijd
En dus doen wij in de ban
Wie ons in de wielen rijdt
Andermans betrokkenheid
Willen wij verwensen
Ziet u, dit is wat ons plaagt
Wij houden niet van mensen.
Sloterdijk.