Ga naar de inhoud

Categorie: Uncategorized

Haventje

Een volgeladen kiel, met volgeladen kielen
Liederlijk kwelen uit kelende kelen;
Is het allerzielen?
Bootje vol debielen.

Hersentjespitsen

Het zit in het
Het zit in ergens
En het zit in mij
Het trekt en scheurt
Het dramt en zeurt
Het lapt me er weer bij:
Vingers die in vlees verzinken
Laat ik mij maar snel bedrinken.

Schermer’s Syntaxis en Semantiek.

Drank, vrouwen en zang

Dat streeft maar heen, dat werkt maar door
Dat toont maar zo’n bezieling;
Vanwaar die ijver, zo misplaatst,
Die studies in vernieling?

Wáárom die eendrachtigheid
De kloof de kloof te laten,
En verderop een berg te bouwen
Om vanaf te blaten?

Hoe nu die vergaderdrift
Van sufgelulde koppen,
Terwijl een goed college altijd
Nooit te vroeg kan stoppen?

Wat is van die dwangmatigheid
In Godsnaam de intentie?
Ik zeg u, níets, het gaat slechts om
De botte decadentie.

Voor in de Intreebijbel, jaargang 1991.

Gammelgaard

Vrieswit brasvacht vaalbruinfonkelt
Onbedorven onbezonnen holt en overkonkelt
Duìzend kruisen, beter kramparm
Dolhoofd leidt tot overwarm
En ho maar, ovenwanten;
Stut dit béter in de spanten!

In de Intreebijbel, te Gemert.

Sneller!

‘Joden’, zegt Kafka, ‘die denken beweeglijk
Wij kunnen dus niets statisch plaatsen’
Zo zijn dus de veewagens beelden van stilstand
Hardnekkig in het wrede kaatsen

Slimsten nemen grote sprongen
Ongewoon te schuifelen, sloffen
Dat haten de tragen, de nauwen van geest
Die woedend uit elkander ploffen

Waren wij allen maar jiddish.

Stormloop

Plots soldaat te velde
Languit in de drek gemieterd
Platgetrapt door helden
Nog het vechtvuur niet verpieterd

Snuift mijn kale generaal
Dan sidder ik bevlogen
Stuurt hij mij in stormen staal
Dan sterf ik, onbewogen

Maar dit is een nieuwe sensatie
Aroma van angst in het modderig mangat
Abjecte geur van aberratie
Menselijk denken verdronken in bloedbad

Ik volg, maar ik vraag mij waarheen,
En ik neem, vastbesloten, de berg.

Naar aanleiding van eerste, inleidend college MLK van v.d. Berg.

Knorkrijg

Scheel van gele zandreflectie wentel je door stof
Ten prooi aan scherfgranaten, mitrailleurs en mosterdgas
Maar wat spookt door je hoofd, in plaats van angst en wraakgevoel?
Het lijf van je verloofde, wijdbeens naakt in wuivend gras…

Zo zwijn je je je oorlog door, zoon van decadentie
Geen wonder dat je tanden almaar knarsen van het stof
Alweer creëer jij, varken, hier je jurische prudentie
De zachte hand van napalm en de steelsheid in je slof –

Ite! Ite! Ite! Verga, en weg van hier!

All’ akhbar!

Alle hangende tuinen branden
Veertig rovers pleuren ze plat
En Ali, hij wrijft zich tevreden de handen
Hij is al dat vuurwerk nog lange niet zat

In zijn olielamp huist ongeduldig de geest
Die blaakt van dadendrift
En Baba, hij grijnst, en gnuift als een beest
En wast vast zijn handen in mosterdgift.

Ter gelegenheid van het uitbreken van de oorlog in de Perzische Golf.

Koren en vaar

Er stond eens een eenzame korenaar
In een kaal open veld, ten prooi aan de wind
Af en toe sprak hij de ooievaar
Als die klaar was met werken, het slepen van kind

‘Hoe’, zei de ooievaar, ‘hou je het vol?
Dat eenzame staan en dat loze oreren
Die kluiten hier zullen er echt niets van leren
Zo’n nutteloosheid, word je daarvan niet dol?’

‘Welnee’, zei de aar, ‘kijk, brood word ik nooit
Maar ik schrijf met die kluiten wat melodieën!
En voordat er, eind van het jaar, wordt gehooid

Opera’s, dichtwerk en prachtparodieën
En die kleìne kluit daar, bij je poten, die gooit
Met de meest morbìde fantasieën!’