Morgen ga ik weer niet anders
Met mijn leven om
Het zijn nog steeds dezelfde tenten
Waar ik niet graag kom
Dat heeft dezelfde reden
Want ik ben dezelfde mens
Ontwikkelen is meer nog
Dan veranderen de wens.
Toneelschuur, Haarlem.
Morgen ga ik weer niet anders
Met mijn leven om
Het zijn nog steeds dezelfde tenten
Waar ik niet graag kom
Dat heeft dezelfde reden
Want ik ben dezelfde mens
Ontwikkelen is meer nog
Dan veranderen de wens.
Toneelschuur, Haarlem.
Ik, voor het eerst in het donker hier
Waar het zijn intiemste beleving kende
Voel van mij uit de weg naar de wende
Anders dan anderen denken zouwen
Ik houd vast in vol vertrouwen
Dat ik altijd wezen kan
Wat mijn wezen zelf wil zijn
Ter Toneelschuur, dat is fijn
Voorgoed mijn tweede thuis.
Toneelschuur, Haarlem, bovenzaal.
En dus, vanuit dit
Flikkerlicht
Beproost ik jouw succes
Jij, je heil voorgoed versticht
Proostend naar de les
Die, voorgoed en evenzo
Voor altijd hieruit spreekt
Leer vergeven wat niet kan
Vaardig uit wat in u steekt
En wees, bij God, uzelve.
Tijd voor nieuw gewelven.
Toneelschuur, Haarlem, bovenzaal.
Ik kan dit morgen vast niet lezen
En ik zal het niet meer weten
Dan door drank verduisterd
Maar vandaag, hier, meen ik dit
Niets is door vertrek ontluisterd
Alles schittert doorgaand aan
Spiegel van mijn zwak bestaan
Altijd mijn verlangen:
Rust is, voor de bangen.
Toneelschuur, Haarlem, bovenzaal.
Wat is er fris aan een kerkse partij
Die, bloedende dolk in de hand
Breed grijnzend doorgaat geloof te verkopen
Als antwoord op de eigen volksverlakkerij?
Niet serieus te nemen
Maar toch al nooit gedaan
De tering, maar nu harder
Mijn nering daar niet aan
Meer Montesqieu in ’t leven.
Naar aanleiding van interview met Léon Frissen (lid partijbestuur CDA) op Radio 1, over de crisis rond Jaap de Hoop Scheffer, waarbij Marnix van Rij als domme Brutus onderuitging en Balkenende winnaar werd.
En als ik zeg dat ik van jou
meteen al heel onwel werd
dan zeg jij dat dat onzin is
maar ik weet wat ik voelde
En als ik schrijf dat ik van jou
zo bang ben om te houden
dan schrijf jij doe maar niet
maar dat is niet wat ik bedoelde
Ik hou van jou maar jij
hoeft je daar niks van aan te trekken
wat ìk voel dat voel ìk
en ik ben heel goed in verrekken
Blauwtjes zijn er om te lopen, zeg ik dan maar weer.
Pandbrand krakelt huizenhoog
Likkend halsreikt vuur ten hemel
Fel oranje vonkt het op
Zwartwolkdrijft het weg van wemel
Slangkrioelend blusgepoog
Sprinkhaanspuit erbovenuit
Schijnwerpt sissend naar omlaag
Hoger zwermt het onweer uit
Felflits, helblauw, zwerksplijt snijdend
Koolstaketselbouw, gezellig
Straalde nooit zo’n warmte af
Klein en Hollands, toch zo hellig:
watervolk maakt rampje.
De Harmenjansbuurt steekt de leeggekomen huizen in de fik (zie
Tieren, van verslagen goden
Rammelt, over mijn domein
Spanten kraken hard, de wind
Huilt meer dan tien geboden
Maar ik grijns blij, en in berusting
Machtig naast het raderwerk
Dat loopt zoals mijn arm dat wil
Victorievreugd is mijn.
Na zeven magere jaren doet, sinds gisteren, mijn pc-microfoon het, samen met, na bijna een jaar ellende, mijn cd-writer: mede dankzij Microschoft eindelijk een all-singing, all-dancing machine. Ik geef toe, er blijft wat te wensen over, maar niet veel. Oh. En het stormt ;-).
En niets wordt vergeten, geen snerpende fluit
Geen ongevraagd voorgaan, geen snaarslag vooruit
En alles blijft hangen dat werkt en solide is
Niets dat nog fluttert glanst echt, dat straalt mis
En zo is de dogmatiek tweesnijdend zwaard
Rammelt een tijdsbesef altijd verpaard
Zwaait wat kortzichtig kijkt altijd met gis
En staat wat zich sterk weet voor eeuwig in bis
Mazzel leidt tot kortgeloof
Pijn het zwakbod voorbij
Ben ik bang, in mijn alcoof
Is mijn nu niet meer van mij?
Neen, ik ben duidelijk
Al heel mijn leven lang.