bomen ruisen van de regen
niet, vandaag, van wind
in mijn wijk kom ik mij tegen
helend is, wat ik dat vind
bomen ruisen van de regen
niet, vandaag, van wind
in mijn wijk kom ik mij tegen
helend is, wat ik dat vind
Komrij is dood en ik moet u toch zeggen
dat mij dat te weinig doet
Een mens kan zich nooit teveel onderleggen
Van kennis, zelfs erge, is smaak altijd zoet
Dus ik denk, dat zonder te kleffen
dat dat zijn verdienste zal zijn:
dat Komrij mij dit doet beseffen
ik las hem te weinig en dat doet nu pijn.
Bij het omkomen (leed aan leven) van De Dichter Des Vaderlands.
Jij noemt het een epische cover
Ik vind dat plaatje
nergens op slaan
om waar het naar klinkt
èn om hoe het eruitziet
leegte, verdriet
zijn wat daarvan bezinkt
en omdat het is nagedaan
daarom ook, is het naadje
en word ik echt nooit jouw lover.
Schalkwijk.
Naar aanleiding van het spammen, door iemand, over wie dit dus niet gaat want die ik vooralsnog best mag, van ‘The Good, The Bad & The Ugly’ door The Treble Spankers, waar dit dus niet over gaat omdat ik dat een beste cover van een toch al prima muziekje vind.
Ik verzin spinnen
die, op mijn rug
parmantig parade maken.
Die sla ik af
want de vloer heeft geduld
en een spin heeft wel 8x
geen hand
dus die is gauw gevuld.
Ik voel de vliegen kraken
– zo gaat dat, in dit land:
ik wil mijn land weer terug.
Schalkwijk.
Op de langste dag, als noodweer verkondigd is.
Ik kijk uit het raam en
droom mij een dampertje
helemaal ver weg naar,
verst weg van al
en met een knal komt,
veel harder dan stampertje
alles wat raar, maar
toch rijkelijk samen.
En alsmaar wil ik dat het waar is
dat het niet voor zomaar niets was
maar je weet, als het klaar is
dat er niets is, en je fietstas
nooit meer gevuld zal zijn met gedichten
nooit met gedichten die jij schreef voor haar
nooit met de grote betekenisvolle
gewichten, dolletjes immers te raar.
De monsters mogen een mooie dag morgen.
Een dag zonder zorgen – ik gun het ze echt.
Borgen van blijdschap – dat is wat het wil
Pakt vaak uiteindelijk toch wat te kil
en te kaal uit, dit land ligt, nou eenmaal,
aan zee
– maar daar zit ik niet mee.
Ik schreef dit rond 01:00 ’s nachts, daarom had ik het nog over “morgen” terwijl het eigenlijk al Koninginnedag was.
Daar is die dag
waar je jaren op wachtte
weet dat je leeft
omdat je zweeft –
waar vlinders horen.
Niet alles is verloren
: waar de wereld lachte
ligt de wereld in een lach.
Valt zomaar in je hand:
zomer. Naar het strand.
Vingerige dingetjes, dat zijn
die gele mannetjes
Ik wil ze altijd doden,
als ik ze ontmoet
vingerige dingetjes
doen zelden iemand goed.
Een mens moet ongestoord
van dingen kunnen houwen
uit de as een wereld bouwen
uit de steen paleizen houwen
van de hop een biertje brouwen
Hophop, dat moet kunnen
Meestal wordt zo’n droom vermoord
in de kiem nog doodgesmoord
kinderwens, wreed, niet verhoord
Dat is hoogst gestoord.
Ik merk, verstoord, op
dat het anders moet
dat, voordat we lopen rouwen
om gelazer, in de touwen
we op slaan eens niet vertrouwen
moesten, maar op de getrouwen
want een mens moet ongestoord
van dingen kunnen houden