Nee, geen zee
Gaat mij in dees te hoog
Hoewel als ’t kan toch liever droog
Ik wil vandaag beslist
In Drakesteyn bij Bea zijn
Oranje boven, mager zwijn!
En slipjes in het lover.
Ook
Nee, geen zee
Gaat mij in dees te hoog
Hoewel als ’t kan toch liever droog
Ik wil vandaag beslist
In Drakesteyn bij Bea zijn
Oranje boven, mager zwijn!
En slipjes in het lover.
Ook
En zo loopt Haarlem leeg
De exodus naar Amsterdam
Om elke hoek een stille steeg
Een droompaleis, doch
Minder tam
Het dorp, alleen gelaten
Strompel ik weer door zijn straten
Het zal wel gaan
Een stille fik
We zijn alleen
Mijn stad, mijn kalm geweten
Mijn moederland, mijn Spaarnestad
Mijn toevluchtsoord
En ik.
Voor het eerst vloeit hier
Katharsis over
In nuchter denken
Maandagmorgen
Stil gezoem van
Generator, pagina van volt
Hart van flat en
Ziel van leven
Hier ligt onze
Zwakke plek
De stilte van de
Nacht dringt in
Op Schalkwijk
Slapend stadsdeel
Slechts de padden roepen
Dol van zomer
Om een nieuwe paring
Het is nacht
Allemaal op naar de zwembadflat
Dikke pret maar
Vroeg naar bed want
Morgen weer goed opgelet
Schoolbordkrijskrijt
Stoort je horen
Stille stilte gaat verloren
Mooi geen vogels
Vliegen, tiener
Vijf minuten wisseltijd
Toch maar buizen
Niet aan denken
Daar, al elf uur
Krats! De spijt
In ’t bord met krijt
Gegrifd, maar ach…
Dat cijfer op
De eeuwigheid…
Klam
Trekt een schroeiende hitte omhoog
Trillend en stekend, en
Verre van droog
Blinkend
Teisteren glazen muren
Ogen en hoofd
Duivelse vuren
De nerf van het blad
Tekent zich af
In het groen
Als van koren in
Onvolgroeid kaf
Dat gefluit komt van vogels
Waar leven ontluikt
Waar een winterse wijk
Weer de zomer in duikt
Diep in mei
Nu zindert de lucht
Jagen stromen water van omhoog
Omlaag
In ’t natte bladerdek
Knettert bliksem
Breken ruiten
Bouwt een nieuwe Noach
Een ark van twaalf
Verdiepingen
En alles schuilt
En druipt zich droog
Het broeien laat niet af
En zie, daar spat
De druppel
Op de steunpaal van de berk
Uiteen, het regent
Boven Schalkwijk
En Schalkwijk is natuur
Ik had een vaag, een onbestemd verlangen
Dat, sperend door het laagland opgekomen
Het nekschot gaf aan al mijn warme dromen
En mij als in een herfstig web liet hangen
Hoe harder ik ging sprinten door de gangen
Van mijn geest, hoe minder ver ik leek te komen
Haar kruis leek, net als ik, van zweet te stomen
Haar tepels door haar blouse heen te prangen
Tot zover mooi, maar míjn zweet kwam van bangheid
Mijn trillen niet uit opwinding ontsproten
Mijn ogen schoten vuur, maar niet van geilheid
Mijn kruit had zij voortijdig weggeschoten
Mijn angst was angst voor de verslagen droefheid
In haar blik, waarin de mijne lag besloten.
Pauze in de kooischoonmaak en kamerzuig.
Ik voel mij goed verdomme
En wat mijn chef doet
Met die blonde
Minitrut met van die ronde
Wat mijn baas doet
Met die teef
Dat stel hersens als een zeef
Dat kan mij geen grafreet schelen
Dat kan mij geen zuur meer bomme.
Thuis in Panama, op doorreis naar IJmuiden en Amsterdam, in GEZELSCHAP VAN ARF.
Ik zou je nu iets willen schrijven
Lief en samenhangend
Of vals gaan zingen voor je raam
Heel goed bedoeld, maar stangend
Je denkt dat je een schilderij bent
Mooi, maar onbelangrijk
Maar ieder uur is vol van jou
Intens en droef gelijk
Omdat ik in mijn dom gestommel
Bang en zo onhandig
Je oerverveel en irriteer
Verkeerd en misverstandig en zo is dat.
Kruiskonijn
De velden
Zo vrij en geurend groen
Van koren en katoen
Van gras en dotterbloem
Maar zand en slechts beton
Is daar waar jij begon
Torenhoog cement en staal
Ren, ren naar vrijheid
Loop naar licht en leven
Zwerf en droom
Inlé en Frith
Bid en leef
Zoon van de vlucht
Ontvolk dit stramme Schalkwijk
Even, voor eeuwig
Stramien van verbazing