Nu dan, droom mij duizend dingen
Spiegel mij uw stelsels
Vermaak mij met uw lyrisch zingen
Boei mij met vertelsels
Geef mij wat zolang ontbrak
Bij ’t haardvuur, als geheel
Gezocht: een echte minstreel.
Nu dan, droom mij duizend dingen
Spiegel mij uw stelsels
Vermaak mij met uw lyrisch zingen
Boei mij met vertelsels
Geef mij wat zolang ontbrak
Bij ’t haardvuur, als geheel
Gezocht: een echte minstreel.
Jij schetst me je dromen
En huilt op mijn schouder
Ik kap in de mijne
Je kop van je romp
En zo wordt mijn wereld
Zes nulpunten kouder
De nederwinter vriest mij aan
Hij kleurt mijn vingers blauw
Zodat ik ruw en onbeleefd
Naar brave lieden snauw
Mij dagen hier in ’t westen
Dingen die ik goed onthou:
Ik hou van Holland, desondanks
En Jezus redt Chielies
Maar niet van de kou.
Diepsiberisch grijnst de zomer
Vol van gruwelen mij na;
Voor mij uit ligt zwaarsatanisch
Slechts ellende waar ik ga –
Bedenk, oh dom en rottig volk
De omvang van uw schande!
Ge hebt geen kloten meer,
Er druipen faeces van uw tanden.
Dat al uw schepen stranden!
Ach versnoerd en breinloos plebs
Dat ik op uw graf mag zeiken na
Een snelle serie taps.
Aan Derk-Jan Gerritsen. Ook
SINSANIFARKALLEFATATSPATTERANG
ZWAMFOLKOKNALOMNIGOETELROT
BRONKOLFAKOROOKOKETSJOMNORGSIPAK
– GROTKOK
– GRAFBANG
– SPLIERIETSJEK
Ook
Zomaar zand,
Omperkt door palmen
Patserkarren
Parelvissers
Gouden regen op de wissers
Buiterij en oliewalmen
Sterven met de folder in je hand.
Verhutst, ontschoffeld, overklutst
En niet van wanten weten
Want waarom zo snel al die kou
Ik sta nog steeds te zweten
Het wordt waanzinnig winterweer
Ik ben zo’n arme stakker
Want gistre benk wel opgestaan
Maar nu benk nog niet wakker
Nou doei, tabé, succes ermee
Gedenk de haren op je snee
En troost ze bij het scheren.
De welving van je tere billen
Zonder praal toch zoveel pracht
De zachtheid van je lippen
En het harden van je tepels
Je oerbed met het zachte haar
Je dijen duwend, repels
Voor het steeltje dat je in je duwt
Je hemels hofje in
Doen mij van dag tot warme nacht
Ontstoken in extase
En volstrekt orgastisch trillen
Ik bemin je.
Waant hier de zin der leegte
En gij zult bewoner zijn
Van meer dan zo maar nog een wijk
Een kans tot vluchten van de schijn van aanspraak en gezelligheid
In sprakeloze stilte
In warmte en tevredenheid
Temidden van de kilte
In wat echt is en volkomen.
Nicht Stammheim.
Verdomd, ik weet, ze gaan nog steeds
Ter preek en catechismus
De ogen wijd geopend
Maar zo blind als onze huismus
En als ik denk aan wat ze doen, daar
Met die mooie woorden
Dan denk ik, ongewild, maar toch
Door hen komt al dat moorden
Door deze grauwe christenkliek
En zo is dat al eeuwen
Maar liever dan toch mee te doen
Gooi ik me voor de leeuwen
En blijf ik heidenziek.