Geen kat is kwijt
die is spazieren
Kap met claimen
van andermans dieren.
Geen kat is kwijt
die is spazieren
Kap met claimen
van andermans dieren.
Houdt mij niet meer tegen
Stop mij niet meer af
Dan ga ik om u heen bewegen
Dan vind ik u laf
en nog fascistisch ook
Want over dit, mijn leven
ga ik, niet u en als ik kook
dan kook ik van het geven.
Dat geven moet ik vaker doen
het geeft me energie
Jammer als u dat niet ziet
maar toch hoe ik het zie
Ik hoor uw woord ‘moeten’ niet
Ik heb het mijne en da’s zat
dát is wat mij brengt tot doen.
Voila, dan weet u dat.
Je doet het voor vriendinnen
maar nooit voor je eigen
die probeer je te behoeden
voor de zorg en als ze dreigen
Daar gaat je dag
je rust, je levenswerk
je lust en leven op het werk
beleven en je lach
Het is zo’n dag
waarop ze broeden
die waarop ze zinnen
Hemel, het is zondag.
Het is een explosie
van feest en van bedreiging
en ik zeg als ajacied
mooi, maar ik heb neiging
dat tweede te betreuren
en ik wil niet zeuren
maar ook hier doet dat verdriet
(geen reden voor verzwijging)
en geeft het, van de vreugd, erosie.
Jammerdebammerdedambam.
Het sneeuwt, maar blijft niet liggen
Bij mij bergen boze bronnen
die hierom complot verzonnen
of dat vraten als de biggen
Och, als straks de zon weer keert
schijnt-ie, kan een klein kind raden
ongenadig op uw daden
die vooral niet zijn en leert
heel de wereld van uw wan
(beleid, prestatie, orde)
Dat wat wij nooit wilden worden:
daar kunt u wat van.
Als, ontijds, raketten vallen
ga dan niet vergeven
Sloop niet wie, maar wat ze deden
Wees(t) aanwezig en gedreven
Laat jezelf en hamers knallen
in de hallen van het recht
opdat slecht wordt opgezegd
Sloop de b(r)oze haat en nijd
Breek naar betertijd.
Het regent waanzinnige druppels
Ik ben niet van plan ze te vangen
Ze zijn me te zacht en te zinloos van aard
Ze worden maar fijn in de bodem bijeengegaard
Ik laat ze mij mooi niet stangen
Dit hoenderhok verdient zijn knuppels.
Paljas op podia
wacht in de nacht
eerder de wandelaar,
immer verteller
sneller chauffeur
dan de doorsnee besteller
minder malheur
dan de woelende wankelaar
bouwer van paginae
rondzoekend roosteraar
met de muziek mee
naar altijdgedacht
en maar immer verdacht
want projectie werkt sneller
dan geen agenda
anders dan slaaptekort
een voortdurend vort,
hup met de geit
(die, in stilte, decennia tijd verbeidt)
het is de wil tot het eeuwige ja
omdat nee niet werkt
en wél werken sterkt
maar ik doe het mijzelf wel steeds minder goed na.
De herfstmug die, stervend
de mens tracht te teisteren
lukt dat niet bijster en
werkt niet heel wervend
is wat verwend met de zomer wellicht
Een stervende herfstmug is geen gezicht.
Hier ligt een kans,
in de dans om de dingen
om nu dan te doen
waarvan men zal zingen
later, veel later
als alles weer groen
dus met groter fatsoen
is, als snater en schater
elkaar weer verdringen
op water dat lacht:
“’t Is beter dan toen
we moesten ons dwingen
maar kijk wat een pracht
in de vaart van thans.”